Back to top

Credo over genezing

Wat wij als gemeente inzake ziekte en genezing mogen geloven en leren, in 12 artikelen.

1.

Wij geloven dat God de Koning is, die de verdrukten te hulp komt, en het mensenleven bevrijden wil van de machten van het kwaad. Hij strijdt zegevierend tegen deze machten, om heil en vrede te werken, een toestand van volkomen harmonie, van welzijn in de meest volle zin van het woord. (Psalm 72). Daarin ligt ook de genezing van onze ziekten besloten, want God zegt Zelf: ‘Ik, de HERE, ben uw Heelmeester. (Ex. 15:26)

2.

Wij geloven, dat God zijn heilzaam, helend koningschap uitoefent door en in Jezus van Nazareth. ‘Hij is rondgegaan, goeddoende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren’. (Hand. 10:38) Er zijn bepaalde ziekten, waarin we door gelovig onderscheiden duidelijke demonische bindingen kunnen opmerken. Ook in het algemeen is ons gezondzijn een voortdurende ontmoeting in strijd en overwinning met de duistere machten die het bestaan en de goedheid van God ontkennen. In gezondheid en ziekte gaat het om de doorbraak van het Koninkrijk van Jezus, die in een onafgebroken geschiedenis van bevrijdende wonderen ons leven verovert op de dood.

3.

Deze bevrijding is door Jezus aan het kruis bezegeld, toen Hij met onze zonden ook onze ziekten stervend overwon (Jes. 53:4a) ‘Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen’. (Jes. 53:5): ‘Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden’. Geciteerd in Mat. 8:17. Wij getuigen daarom in geloof van Hem dat Hij zelf onze zonden in Zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen. Want gij waart dwalende als schapen, maar thans hebt gij u bekeerd tot de herder en hoeder van uw zielen. (1 Petrus 2:4, 25). Omdat bij de Tafel des Heren het volle heil in Jezus tegenwoordig wordt gesteld, en dit heil ook onze heling omvat, mogen wij brood en wijn ook tot genezing van lichaam, ziel en geest door de Heer ontvangen.

4.

Wij geloven, dat de genezing van ons leven in de naam van Jezus zo wijd en diep is, dat de lichamelijke genezing daarvan slechts een (overigens zeer belangrijk) onderdeel is. Lichamelijke en psychische storingen in onze gezondheid kunnen samenhangen met storingen in onze verhoudingen met God en de mensen, in allerlei verbanden waarin wij leven. B.v. in de gemeente waartoe wij behoren. (1 Kor. 11:30): ‘Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen ‘, in het volk (Jer. 8:18vv.): ‘Niet te lenigen is mijn kommer, mijn hart is zo ziek! Hoor! Hulpgeroep van de dochter mijns volks uit het land, wijd en zijd: Is de Here niet in Sion, of is haar Koning niet in haar? Waarom hebben zij Mij gekrenkt met hun beelden, met nietigheden uit de vreemde? Voorbij is de oogst, ten einde de zomer, en wij zijn niet verlost! Om de breuk van de dochter mijns volks ben ik gebroken, ik ga in rouw, ontzetting heeft mij aangegrepen. Is er geen balsem in Gilead, of is daar geen heelmeester? Want waarom is de wond van de dochter mijns volks niet geheeld?’ Jezus bedoelt en roept ons tot totale integrale genezing. (1 Thes. 5:22-24): ‘Onthoudt u van alle soorten kwaad. En Hij, de God des Vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in alle dele onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen. Juist ook in deze tijd worden wij geroepen in allerlei samenlevingsverbanden sanerend bezig te zijn.

5.

Jezus betrekt in Zijn genezend werk heel speciaal zijn gemeente. Wij mogen en moeten in deze wereld in allerlei functie de gestalte van de goede dienstknecht en van de barmhartige Samaritaan tonen (Mat. 24:45 vv.): ‘Wie is dan de trouwe en verstandige slaaf, die de Heer over zijn dienstvolk gesteld heeft om hun op tijd hun voedsel te geven? Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zo bezig zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn bezit zal stellen’.

De Dienst der Genezing behoort tot haar blijvende opdracht. Jezus gaf Zijn apostelen de opdracht: (Mat. 10:7-8): ‘Gaat en predikt en zegt: Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest de zieken, die er zijn, en zegt tot hen: Het koninkrijk Gods is nabij u gekomen’.

Deze Dienst der Genezing is ook nu nog de opdracht der Gemeente van de Heer. De Dienst der Genezing heeft volgens Jakobus 5:14-15 drie delen: 1) Zielszorg. 2) Gelovig gebed. 3) Zalving of handoplegging.

Het gelovig gebed beweegt zich van beneden naar Boven. De zalving of handoplegging (evenals alle zegen van de Heer) beweegt zich van Boven naar beneden. In de naam van de aanwezige Heer, wordt een woord gesproken en een handeling verricht, waarin de zieke heil en heling met gezag door en namens Hem wordt toegesproken.

6.

Hij roept tot deze dienst speciaal de oudsten. (Jakobus 5:14, Wij mogen hen tot deze Dienst ontbieden!) Maar ook gewone gemeenteleden roept de Heer tot deze Dienst (Marcus 16:17-18): ‘als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden’. Ze mogen deze Dienst samen met andere gelovigen verrichten. Dus niet zomaar individueel. (Jezus spreekt over ‘de gelovigen’ -meervoud). Aan sommigen geeft de Heilige Geest incidenteel bijzondere ‘gaven der genezingen’ (1 Kor. 12:9-30): ‘de een geloof door dezelfde Geest en de ander gaven van genezingen door die ene Geest’; ‘Hebben soms allen gaven van genezing?’

7.

Ook de medische verzorging mag verstaan worden als een dienst die Jezus in Zijn wereldwijd heilswerk wil gebruiken. Nergens wordt in de bijbel afkeurend gesproken over de hulp van artsen en hun helpers. Wij mogen hen dankbaar in onze voorbede gedenken. (1 Tim. 2:1-4): ‘Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatste, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid. Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen’. Alleen worden we opgewekt, niet op mensen te bouwen maar op God, die hen gebruiken wil tot ons heil. (2 Kron. 16:7 en verder): ‘In die tijd kwam de ziener Hanani tot Asa, de koning van Juda, en zeide, tot hem: Omdat gij gesteund hebt op de koning van Aram en niet gesteund hebt op de Here, uw God, daarom is het leger van de koning van Aram aan uw macht ontkomen. Waren de Kuschieten en de Lybiers niet een groot leger met zeer veel wagens en ruiters? Toch heeft de Here hen in uw macht gegeven, omdat gij op Hem gesteund hebt. Want des Heren ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan, hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat’.

Hun (van de artsen) voorschriften mogen en moeten aan de wil van de grote Heelmeester worden getoetst. Maar Gods macht en wil tot genezing gaat de mogelijkheden der medische wetenschap en ook onze gebeden ver te boven (Ef. 3:20-21): ‘Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid!’

8.

Wij wijzen daarom het secularisme af dat in naam van ‘de natuur’ of ‘de wetenschap’ gezondheid en ziekte losmaakt van Gods genezend handelen.

9.

Ook wijzen we af het occultisme, dat ziekten wil genezen door paranormaal handelen. Zulk een genezen is niet uit God, en ten kwade. (Deuteronomium 18:9-18): ‘Wanneer gij gekomen zijt in het land dat de Here, uw God, u geven zal, dan zult gij niet leren doen naar de gruwelen van die volken. Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan, die waarzeggerij pleegt, geen wichelaar, uitlegger van voortekenen, of tovenaar, geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt. Want ieder die deze dingen doet, is de Here een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de Here, uw God, hen voor u weg. Gij zult onberispelijk staan tegenover de Here, uw God: want deze volken, die gij verdrijven zult, luisteren naar wichelaars en waarzeggers, maar u heeft de Here, uw God, dit niet toegelaten. Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Here, uw God, u verwekken: naar hem zult gij luisteren. Juist zoals gij van de Here, uw God, gevraagd hebt op Horeb, op de dag der samenkomst, toen gij zeidet: Ik wil niet langer de stem van de Here mijn God, horen en dit grote vuur niet langer zien, opdat ik niet sterve. Toen zeide de Here tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben; een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied’ . (Ez. 13:17-19): ‘En gij, mensenkind, richt u tegen de dochters van uw volk, die naar eigen inzicht profeteren; profeteer tegen haar, en zeg: Zo zegt de Here: wee haar, die toverbanden binden om alle polsen en die sluiers winden om het hoofd van groot en klein, om zielen te vangen! Zoudt gij zielen vangen van mijn volk en uw eigen zielen in het leven behouden? Gij ontheiligt Mij bij mijn volk voor handen vol gerst en voor brokken brood, om zielen te doden die niet sterven moesten, en om zielen in het leven te behouden, die niet moesten blijven leven, doordat gij mijn volk beliegt, dat naar leugen hoort.’

Onze ervaring is, dat afdwaling op dit gebied, hoe lang ook geleden (eventueel zelfs in het voorgeslacht) de Dienst der Bevrijding noodzakelijk maakt (biecht, een zegen tot reiniging en vervulling met Gods Geest).

10.

Evenzeer mogen en moeten we ons keren tegen alle valse berusting. Net zo min als God de zonde wil, wil Hij de ziekte. Als Hij soms bij wijze van straf ziekte zendt, dan betekent dit dat Hij ons mensen de gevolgen van onze daden laat ondervinden, om ons te leiden tot berouw en genezing. (psalm 103:1-5:

Loof de HERE, mijn ziel en al wat in mij is, zijn heilige naam. Loof de HERE, mijn ziel, en vergeet niet een van weldaden; Die al uw ongerechtigheden vergeeft Die al uw krankheden geneest, Die uw leven verlost van de groeve, Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid, Die uw ziel verzadigt met het goede zodat uw jeugd zich vernieuwt als die van een arend.

Gods bedoeling is dat berouw en heling samengaan. (Psalm 107:17-20):

Er waren dwazen, die wegens hun zondige wandel en wegens hun ongerechtigheden gepijnigd werden; Hun ziel gruwde van elke spijze, zij waren de poorten des doods nabij. Toen riepen zij tot de HERE in hun benauwdheid, en Hij verloste hen uit hun angsten; Hij zond zijn woord, Hij genas hen en deed hen aan de groeve ontkomen.

Maar Gods heilswil zet zich niet altijd volkomen door, al bidden wij hierom dagelijks. Dit ligt soms aan ongeloof bij de zieke en de gemeente. Maar we wezen de mening af, dat uitblijven van genezing altijd aan kleingeloof of ongeloof moet worden geweten. Er ligt hier een stuk aanvechting en mysterie, dat ons niet dringt tot berusting, maar tot volhardend vertrouwen. (Luc.18:1-8)

Ook dat wat tegen Gods wil geschiedt, wordt wonderlijk door Hem ten goede geleid, zodat niets ons van Zijn liefde scheidt. (Rom. 8:28 en Rom. 8:35-39):’ Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn’. ‘Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid of gevaar, of het zwaard? Gelijk geschreven staat: Om uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen, noch machten, noch heden noch toekomst, noch kracht, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.’

11.

We zijn altijd ziek, als lid der gemeente (1 Kor. 12:26-27) ‘Als een lid lijdt, lijden alle leden mede, als een lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde. Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden’. Wij geloven, dat God de zieken bijzonder voor anderen wil gebruiken, bijvoorbeeld door voor anderen te bidden (Job 42:10): ‘En de Here bracht een keer in het lot van Job, toen hij voor zijn vrienden gebeden had, en de Here gaf Job het dubbele van al wat hij bezeten had’. Gelovig ziek zijn is met al zijn ups en downs een arbeid, die niet vergeefs is in de Heer. (1 Kor. 15:58): Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here’.

Lang niet alle ziekte kan als straf op de zonde worden verstaan (Johannes 9:1-4): En voorbij gaande zag Hij een man, die sedert zijn geboorte blind was. En zijn discipelen vroegen Hem en zeiden: Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is? Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden. Wij moeten werken de werken desgenen, die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht, waarin niemand werken kan. Wel vraagt …..om zelfonderzoek door de zieke, of er een bepaald kwaad moet worden beleden. Er kan ook een kwaad in de gemeente zijn, dat in onderlinge gemeenschap beleden mag en moet worden (Jakobus 5:16): Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt’.

12.

In de zieken is Jezus zelf bijzonder bij ons tegenwoordig. Wie hen bezoekt, bezoekt Jezus. Wie hen voorbij gaat, gaat aan Jezus voorbij. (Mat. 25:35-36 Mat 25:43): Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht: Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt bij Mij gekomen.’ Maar wie ons ook gedachteloos voorbijgaat, Jezus is op het gebed helpend nabij, ook als wij moeten klagen: Ik heb geen mens. ( Johannes 5:7).