Back to top

Opgroeien in liefde

We merkten hierboven al op, dat Agnes Sanford aan haar confidenten pleegt te vragen: "Heb je een gelukkige jeugd gehad? Wanneer begon je je ongelukkig te voelen?"

Maar er zijn veel mensen die zich eigenlijk nooit echt ge­lukkig hebben gevoeld, maar zich tot in hun diepste oorsprong toe emotioneel verduisterd en verlaten voelen.

Bij deze tweede groep mag en moet de genezing der her­inneringen onderdeel zijn van een meer omvattende sanering, die we hier kort willen schetsen. Deskundigen hebben geschat, dat slechts 60% van de mensen in hun ouderlijk gezin een warm-emotionele baker­mat vinden - 40% groeit op in een onplezierige emotionele kilte en spanning. Wij willen niet suggereren, dat al deze mensen zo ernstig gehandicapt opgroeien, als we hier beneden schetsen. Er is allerlei gradatie, maar om de zaken duidelijk te stellen, gaan we van zware frustraties uit.

We spraken over een warm-emotionele bakermat. Daarmee bedoelen we het volgende: Het dier kan begeren en vol­doening hebben van zijn lusten, maar hij is daarin een ge­sloten, naar zichzelf gekeerd wezen, die de lustobjecten niet met persoonlijk gevoel, in liefde waarderend, ontmoet.

Een mens is erop aangelegd, een persoonlijk welbehagen, een persoonlijk gevoel van waardering, jegens mens en ding te beleven. Dit persoonlijk-emotioneel waarderen wordt in de mens gewekt, als hij vanaf zijn ontvangenis en geboorte wordt in­gebed in een liefdevol welbehagen, dat door zijn moeder en vader en andere gezinsleden gevoelsmatig in hem wordt overgedragen.

Een baby heeft een ingeschapen behoefte aan liefdevol lichamelijk gevoelscontact, dat eerst tast-baar en proef-baar, "dan ook hoorbaar (via liefdevolle geluiden en woorden) en zichtbaar (b.v. via een liefdevolle glimlach) wordt ervaren. Daardoor voelt hij zichzelf "welkom", volkomen aanvaard en in zijn diepste wezen "gezegend" en bevestigd. Dit gevoel van zelf-waarde kan hem alleen maar ge­schonken worden door een ander mens of door andere mensen.

Het is de relatie waarbij iemand door een ander mens wordt beschouwd en gevoeld als iemand die bij hem ,hoort en in wie hij het welbehagen van de schouwende en min­nende mens zelf waarneemt, zodat hij dit voelt met zijn hele wezen. Onweerstaanbaar komt dan in de mens naar boven een ervaren van eigen goed-zijn; hij ontvangt daarmee een gevoel van welbehagen in zichzelf, van zelf-liefde en eigenwaarde. Door deze ervaring ontvangt de kleine mens het vermogen nu zelf ook dergelijke gevoelens van aan­vaarding en welbehagen, van liefdevolle waardering en bevestiging tot anderen te laten uitgaan. In de eerste plaats tot zijn naaste omgeving.

Als deze warm-emotionele bakermat ontbreekt, ervaart de baby zichzelf als een onplezierig ding. Hij wordt geboren, verzorgd, maar er wordt niet met liefdensgevoel naar hem om­gekeken. Hij krijgt kleren en wordt verschoond. Maar zijn lichaam, dat hunkert naar wat speelse aanhalingen, stikt in dit onbevredigd emotioneel verlangen. Hij krijgt nooit het diepe gevoel: ik hoor er echt bij. Dat geeft allerlei gevoelens van angst, onzekerheid, onveiligheid, bloot-staan aan drei­ging. En die worden dan meestal ook nog door allerlei negatief gedrag in zijn omgeving tot hoogspanning gebracht. Deze mensen vragen zich aldoor af, wat de anderen wel van hen vinden en wat anderen wel van hen zeggen. Ze kunnen hun minderwaardigheidsgevoelens alleen maar pro­beren te overwinnen door meer te willen presteren dan anderen, zonder enige zekerheid daardoor enige liefdevolle waardering bij de medemens te oogsten. .

Ontmoeten ze toch ergens liefdevolle waardering, dan zijn ze dikwijls alleen maar tot een wantrouwend afwijzen in staat, hoe ze ook hun best doen, tot. een positieve relatie te komen.Met hun verstand en wil kunnen ze bij het opgroeien pro­beren, tot maatschappelijke aanvaarding te komen, en dat lukt soms, oppervlakkig bezien, uitstekend. Doch in hun persoonlijke emotionele relaties is een gevoel van onbe­hagen overheersend. Het karakter wordt nu eenmaal voor 80% in de eerste vier levensjaren gestempeld, en door het onvoldaan blijven van de kindergevoelens blijft het gevoels­leven infantiel en egocentrisch, in verwaarlozing verlangend naar verwenning.

Een mens leert nu eenmaal aan zijn ouders hoe mensen zijn. En instinctief zal men van de medemens hetzelfde negatieve verwachten als van thuis. Ook het contact met God wordt door deze emotionele ontwikkelings-stoornis vaak ernstig bemoeilijkt. Als hun vader en moeder hen niet in liefde hebben aanvaard en bevestigd, hoe zou "God" dit dan wel kunnen en willen doen? En hoe zouden zij warme liefde jegens anderen kunnen overbrengen?

Toch kan Gods overmachtige liefde ook in deze mensen krachtig doorbreken en veel ijs in hun ziel doen smelten. Ze zullen Zijn liefde vaak hartstochtelijk en met intense wederliefde beantwoorden, dankbaar voor deze positieve relatie midden in de negativiteit en vereenzaming van hun diepe gevoel.

En toch blijkt telkens, dat zelfs door machtige ervaringen van geestelijke vernieuwing en wedergeboorte en van ver­vulling met Gods Geest de oude gevoelsfrustraties niet helemaal zijn genezen. Inzake de liefde tot God is er wel innerlijke harmonie, maar ze hinken telkens op het been der liefde tot de medemens. Ze willen graag getuigen en dienen, maar de oude gevoelsonzekerheid is gebleven en vaak maar moeilijk te verbloemen.

Zelfs in gemeenschaps-kringen van met de Geest vervulde Christenen komt soms het warme, hartelijk-medemenselijke, spontaan-aanvaardende nauwelijks over. Er is bij alle activiteit toch vaak in het tussen-menselijk vlak veel innerlijke remming en kramp. Men gaat soms zelfs in de vroomheid manipulerend, dwangmatig met zichzelf en anderen om. Vol "vrome" bezorgdheid en angst over zichzelf en vooral over de ander die "anders" is.

Gelukkig wie in zo'n situatie iemand mag ontmoeten, die praktisch weet wat het inhoudt, een medemens in zulke diepe frustraties te zegenen en te helpen. Men kan de ander het beste helpen door tijdelijk jegens hem de verwaarloosde rol van vader of moeder over te nemen, waarbij men de onbevestigde mens restloos in liefde aanvaardt. Niet exclusief, maar inclusief al zijn diep-ge­worteld onbehagen. We denken aan wat Paulus in Rom 15 : 1-3 en Rom 15:7 zegt over het elkaar aanvaarden, zoals ook Christus ons aanvaard heeft, tot heerlijkheid Gods.

Dit aanvaarden houdt a.a. in, dat men het volkomen accep­teert, dat de ander die in zijn gevoel onderontwikkeld is, vol angst en verwijt zit. Vol agressiviteit en ontmoediging. Vol onmacht om echte dank te voelen en te uiten. Maar er is in hem toch ook een diep verlangen om liefde en "wel­behagen" te ontvangen en dan ook liefde en "welbehagen" terug te geven. Hij kan leren nu ook anderen in hun frustraties te aan­vaarden en te helpen. Zo kan zelfs al de schade van de eerste levensjaren geheel worden ingehaald.

Het moeilijke is, dat negatieve reacties vaak het duidelijkst optreden, als de hartelijkheid en de ontspannen sfeer iemand positief beginnen te veranderen. Dan komen de oude ge­voelens van wantrouwen en teleurstelling met oude onver­effende rekeningen. al protesterend op de proppen.

Door dit begrijpend te accepteren, krijgt de lijdende partij de mogelijkheid zichzelf ook aanvaardend van deze nega­tieve reacties te distantiëren. Met het positief gevoel: ik ben zelf ook eigenlijk innerlijk anders dan al dat negatieve. Hij gaat inzien, dat zijn vader en/of moeder waarschijnlijk dezelfde verkeerde start in hun leven hebben gekregen als hij en ook de warm-emotionele bakermat hebben gemist en hij zal medelijden met hen gaan voelen, omdat ze (nog) niet de nieuwe weg hebben leren begaan, die hij mag bewandelen. Zo kan men komen tot een volwassen gevoelsvrijheid. "In het normale leven leeft ieder zijn eigen gevoel uit, en het normaal volwassen-zijn brengt mede, dat men dit uiten van het eigen gevoel door anderen gewoon verwerkt, en met zijn eigen gevoel daarop ook zelfstandig reageert. Men blijft zichzelf, wanneer de ander zich 'sympathiek - men blijft zichzelf, wanneer de ander zich afwijzend verhoudt. En men wil ook, dat de ander zichzelf blijft, en alleen maar, wanneer zijn gevoel hem daartoe drijft, zich met zijn gevoel tot ons richt" (Dr. A. A. A. Terruwe).

De hulp die wij hier bedoelen, kan en behoeft niet alleen door zielzorgers en psychotherapeuten worden geboden. Wijze, ervaren liefde, geboden door een hartelijke man en/of vrouw, of door een warm, eenvoudig-menselijk gezin kan hier wonderen doen. Het gaat hier om een verstandig verwennen. Om een in een warm-emotionele bakermat de ander verstandig, "redelijk" begeleiden tot volwassenheid. We denken vooral ook aan huiskringen, communiteiten en andere gemeenschaps-vormen, waarvan de wereld rondom ons hetzelfde zegt als van de huiskringen in de eerste gemeente in Jeruzalem: Ziet, hoe lief ze elkaar hebben. Het is deze vorm van samenleven, die Jezus zelf met zijn leerlingen ons 3 jaar heeft voorgeleefd. Bij 'zo'n bege­leiding is het het beste, niet te gaan delven in allerlei negatieve ervaringen van vroeger. Door de warme sfeer komen deze herinneringen op den duur zelf wel boven­drijven en dan moet men de volle gelegenheid geven en krijgen, het allemaal uit te zeggen aan het begrijpend oor en hart.

Overbodig te zeggen, dat men in zo'n begeleiding eigen grenzen duidelijk moet zien. Als men niet bereid is, in trouwe liefde met de ander tot het einde te gaan, kan men beter niet beginnen. Want eenzijdig en ontijdig afbreken van het contact zal zeker diepe schade berokkenen.

Ook zal men bereid mogen zijn, als de weg naar God door gevoels-frustraties geblokkeerd is, eerst "gewoon" mede­menselijke hulp te bieden, zonder de ander in de begeleiding direct tot God te willen leiden. De ervaring van een liefde­volle medemens kan dan op den duur een deur openen tot de ervaring van een liefdevolle Vader en Heer.