U bent hier

Back to top

Wat Presser deed

Toen we in in 1970 het zilveren jubileum van onze nationale bevrijding vierden, werd in de grote feestdienst in de Laurenskerk te Rotterdam de herdenkingsrede gehouden door een overledene, prof. dr. J. Presser. Hij heeft die rede op zijn ziekbed geschreven en een stiefzoon las hem voor. In diezelfde dagen was er voor de t.v. een reeks van beelden uit zijn leven in een film, die inmiddels bekroond werd.

Je ziet hoe Presser opgroeit in een 'proletarisch' milieu van diamantwerkers in Amsterdam. Omdat hij een goede kop heeft en een geweldig doorzettingsvermogen, kan hij een academische graad halen en in Amsterdam leraar worden aan een Middelbare School. Je ziet hoe over hem als Israëliet en over zijn Joodse vrouw de zware slagschaduw valt van het opkomend nazidom. Hij is nooit heengekomen over het diepe verdriet, dat zijn vrouw in een Duits concentratiekamp is omgekomen. Nooit kon hij meer in Amsterdam door die straat wandelen, waar ze samen zo gelukkig waren geweest. En nog minder hun vroegere woning binnengaan.

Na de oorlog wordt hij hoogleraar in de geschiedenis en krijgt hij de opdracht, het onvoorstelbaar lijden van miljoenen mede-Joden onder het Hitler-regime te beschrijven. Zijn boek 'Verzet en Ondergang' wordt in korte tijd een bestseller.

Terwille van zijn boek moest hij talloze interviews houden met Joodse landgenoten die, net zoals hij, maar amper aan de massa-moord waren ontkomen. Ze vertelden aan hem, die zelf zoveel had geleden en zo diep-gevoelig was, kwellingen die ze nog nooit aan iemand hadden kwijtgekund of kwijtgedurfd.

Presser voelde vaak na zo'n bewogen interview dat een formeel afscheid totaal onvoldoende zou zijn, om de menselijke situatie recht te doen. En dan gebeurde het wel dat hij bij het heengaan de bezoeker de handen op het hoofd legde met een "Ik zegen u". Of dat hij hem eenvoudig weg omarmde.

Presser was er zich volkomen van bewust dat dit zegenen een godsdienstige, ja, een Bijbelse handeling is. Hij voelde diep, dit te moeten doen. Ofschoon hij zich een buiten­kerkelijke, ja een atheïst noemde, beleed hij in zijn rede van 5 mei 1970, dat hij ("net als ,de "vrije denker" Kant") heel zijn leven steeds weer geholpen was door een Bijbel­woord uit Psalm 23:

Al ging ik ook door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij (God) zijt met mij.

En dat hij sprak "in de wetenschap, dat het Joodse volk door de eeuwen heen het grote geheim van Gods bedoeling met deze wereld in zich meedraagt." Tot dit grote geheim behoort ook het genezend en be­vrijdend handelen van God door middel van een bewogen mens, die zijn medemens in zijn levenswonden zegent.

Daarom kon Presser het eenvoudig niet laten, om bij zo'n afscheid te doen wat hij deed. Hij kon niet volstaan met een: "Mag ik u uitlaten?" Een uitdrukking die we ook gebruiken bij een hond als hij naar buiten moet. Hij moest als Jood zegenen.

Inmiddels heeft, door het rumoer om een eventuele vrij­lating van de oorlogsmisdadigers in Breda, het feit dat na meer dan 25 jaar tal van oorlogsslachtoffers nog steeds lijden aan z.g. K.Z.syndromen (angst-complexen door marte­lingen in de "Konzentrations-Lager", de concentratie­kampen) en dergelijke zielewonden (traumatà), veel aan­dacht gekregen. Een toenmalige minister probeerde de ver­toning van een film hierover voor de t.v. te verhinderen. Maar het is toch goed, dat we aan de confrontatie niet ont­kwamen en dat de vertoning van "Begrijpt u nu waarom ik huil?" doorging. In zijn inleiding op de film stelde prof. dr. J. Bastiaans van Leiden-Oegstgeest,dat veel lijders aan dergelijke syndromen op de lange duur genezing kunnen vinden, wanneer psychiaters en psychologen, geestelijke ver­zorgers, maatschappelijke werkers en vele ánderen hen helpen. Aan de patiënt, die we op de film zagen, had hijzelf 100 uur gewijd. Maar tegenover die ene, met wie zo intensief gewerkt werd, staan er honderden, die hun leven, dat voor hun besef vaak nauwelijks leven mag heten, onge­holpen moeten voortzetten. En ook de speciale kliniek, die inmiddels voor hen in Oegstgeest verrezen is, betekent slechts een paar druppels meer op de gloeiende plaat van lijden.

Dagelijks komen er immers slachtoffers bij. Want je hoeft" niet in een concentratie-kamp of in een oorlogs­toestand te zijn, om zware zielewonden en verlammende herinneringen mee te krijgen. Dat gebeurt in het "gewone" leven aan de lopende band. "De ene mens is voor de andere een wolf", zegt een bekende wijsgeer (Thomas Hobbes). En een andere wijsgeer verzucht: "De hel, dat zijn de anderen" (Jean Paul Sartre).

Daarom gaat de vraag al meer klemmen: Kan wat Presser deed, ook nu nog door ons en voor ons worden gedaan? Kunnen en moeten wij leren, als mensen elkaar heel diep. te zegenen, tot in onze meest duistere en meest pijnlijke herinneringen toe? Het is bij het "zegenen" van het uiterste belang, dat deze min of meer liturgische handeling wortelt in een liefdevolle, zegenende levenshouding, zoals we die, in het volgende proberen te schetsen.