Back to top

Is God een toevlucht?

Ieder die er zich in verdiept, wat het geloof voor moderne mensen kan betekenen, komt hier en daar en overal de invloed tegen van Dietrich Bonhoeffer, de theoloog die in de Duitse kerkstrijd tegen het nazisme een vooraanstaande plaats innam en die geëxecuteerd werd na een mislukte aanslag op Hitler. Typerend zijn een paar regels van een gedicht die ik voor het gemak meteen maar weergeef in het Nederlands:

Mensen gaan tot God in hun nood,
smeken om hulp, vragen geluk en brood.
Om redding uit ziekte, schuld en dood.
Dat doen ze allen, christen en heiden.

Mensen gaan tot God in Zijn nood,
vinden Hem arm, gesmaad, zonder woning en brood,
zien Hem verslonden door zonde, zwakheid en dood.
Christenen staan God bij in Zijn lijden.

God gaat tot alle mensen in hun nood,
verzadigt het lijf en de ziel met Zijn brood,
sterft voor Christenen en Heidenen de kruisdood,
en vergeeft hun beiden.

De gedachte is dus deze: christenen en heidenen zoeken allen een God als noodhelper, als Eerste Hulp Bij Ongelukken. Maar voor de ware Christenen gaat het er niet slechts om, om met hun eigen nood bij God te schuilen, maar met God samen zich te begeven in de nood van de medemens. In de misère van mijn medemens ontmoet ik de Heer.

Ik geloof dat er in dit gedicht van Bonhoeffer veel is, dat ons als moderne mensen echt aanspreekt. We vinden het vaak een beetje verdacht als een mens in zijn zwakheid bij eensterke God wil schuilen. We denken dan direkt aan een soort vader-projektie. De mensen hebben in een kinderlijk gevoel van angst en kleinheid behoefte aan een machtige beschermer, een sterke Vader-figuur in de hemel, die hier op aarde de kastanjes voor hen uit het vuur haalt. Geloof in een toevlucht is schadelijk voor het verantwoordelijkheidsgevoel en het zelfvertrouwen van de mensen houdt hen infantiel, kinderlijk-gebonden en kinderachtig.

Al denkend over deze dingen vond ik een toespraak van Karl Barth uit 1935, dus midden in de Duitse kerkstrijd, toen hij een onverbiddelijk ,,Nein" liet horen tegen het nationaal-socialisme. Hij sprak over het eerste vers van psalm 16: ,,Bewaar mij, want ik vertrouw op U". Hij zei: ,,Beste vrienden, er is wel een stukje levenservaring voor nodig om te verstaan, dat het in het mensen leven werkelijk en waarachtig en tenslotte alleen daarom gaat: bewaard te worden. En niet daarom, gelukkig te zijn. Niet daarom, grote dingen te presteren. En niet daarom, lauweren te oogsten. Maar eenvoudig om hetzelfde, waarom het ging, toen wij kleine kindertjes waren en door onze moeder werden verzorgd: bewaard te worden, bewaard voor de gevaren van ons bestaan, die ons ieder uur en elke dag, zonder dat wij het weten, omringen en waarvoor wij ieder ogenblik moesten bezwijken, zo wij niet bewaard werden. Bewaard ook voor de mensen, die, ook al zijn het de liefste mensen, een gevaar en een verzoeking voor ons betekenen, zo zeker zij allen zondige mensen zijn. En bewaard nog veel meer voor ons zelf! De ergste vijand des mensen is immers hij zelf. En bewaard tenslotte voor het einde, dat ons leven tegemoet snelt en waardoor het schijnbaar hopeloos verslonden wordt. Voor de dood en voor de eeuwige nood der verdoemenis aan de overzijde des doods, waaraan wij allen ten prooi vallen, als wij niet bewaard worden. Ook het leven onzer kerk is in de eerste en laatste instantie niet een leven van arbeidsmoed en zegepraal, maar een leven van bewaard-worden door de goedheid Gods. Wanneer wij weten, dat wij bewaard worden, dan mogen wij ook weten, dat ons leven een doel heeft, dat God iets met ons voorheeft".

Wij mensen bewaren vaak allerlei dingen, en we weten eigenlijk niet waarom. In elke schoonmaak ruimen we bakken rommel en pakken oude plunje op, die hun zin in ons leven hebben verloren. En bij elke verhuizing sta je er weerverbaasd over, dat je zoveel ballast meesleept, die eigenlijk het bewaren helemaal niet waard is. God zou groot gelijk hebben, als Hij nu eindelijk maar eens grote schoonmaak hield en het mensdom ergens deponeerde bij het oud roest of bij de archief-vernietiging. Er is één ding dat Hem hierbij hindert. Als mensen op Hem vertrouwen. Dat vertrouwen kan Hij eenvoudig niet beschamen. Zulke mensen geeft Hij nooit prijs.

Maar Hij zorgt er welvoor, dat dat vertrouwen zwaar op de proef wordt gesteld. En dat we het er niet al te gemakkelijk mee hebben. Want door de beproeving heen worden we in dit vertrouwen rijp, volwassen. Niet op ons zelf gericht maar op God. En op de anderen, wier zaak we blijven bepleiten bij Hem. Op mensen voor wie we trots alle verharding en ondank plaatsvervangend blijven geloven en vertrouwen. Juist door de beproeving wordt het geloof gereinigd van ons infantiel egocentrisch projecteren. Karl Barth kon zo eenvoudig - kinderlijk over de bewaring spreken, omdat zijn eigen geloof in veel aanvechting volwassen was geworden.

Men vroeg eens aan een Javaan, die een tijdje geleden van Mohammedaan Christen was geworden: ,,Wat heb je nu in je nieuwe geloof gevonden, dat je vroeger niet had." Hij zei: ,,Ik heb nu een toevlucht." Misschien is het toch niet zo eenvoudig als het lijkt voor de heiden om ons en in ons, God tot toevlucht te hebben. Het is telkens weer nieuw. En beschamend. Het is nooit goedkoop al is het gratis. Het haalt altijd weer de onderste steen boven in ons hart.