Back to top

Wil ik Gods genade?

In Hamburg heeft de monteur Manfred Klus op een vakantiereisje in de binnenstad zijn zakken vol met bankbiljetten gepropt en die zomaar op straat aan iedereen gratis uitgedeeld."Alstublieft, pak maar aan, voor u." Er waren enkele mensen, die er grif op ingingen. Maar achteraf vertrouwden ze de zaak toch niet. Ze liepen gauw naar een bank om te controleren, of de biljetten wel echt waren. Ja, ze waren echt. Hoe was het mogelijk? De meeste toeschouwers hielden zich echter veilig buiten schot. Tenslotte was de monteur —om van zijn geld af te komen—genoodzaakt de biljetten zo maar rond te strooien in het station; 420 marken dwarrelden langs de spoorrails. Uiteindelijk werd de politie gewaarschuwd en die nam de gulle gever mee naar het bureau. "Ik ben het sparen gewoon zat" legde de man uit, "dat is alles."

Nu komt het dagelijks voor, dat iemand het sparen zat wordt en zijn hele verzameling weg geeft: bierviltjes, suikerzakjes, speldjes, postzegels enz. Maar bij geld-sparen komt dat eenvoudig niet voor. We zeggen wel, dat geld maar het aardse slijk is, en dat het toch niet gelukkig maakt, maar ondertussen. We vinden het prachtig als we van een heilige als Franciscus lezen, dat hij zomaar op straat al zijn goederen weg gaf aan de armen en de armoede als zijn bruid koos. Maar dat is veilig lang-geleden. Wie zoiets nu doet, komt op het politie-bureau terecht, of in een zenuwinrichting. Die agenten in Hamburg hebben die monteur erg argwanend bekeken. Ze rilden afwerend toen hij hun ook een bankbiljet aanbood. Ze analyseerden zijn gedachtengang. Ze konden tot geen andere konklusie komen dan dat het samenhangend was, wat hij zei. Zo stond het in de krant: "samenhangend". Het moet wel uiterst verstandige taal zijn geweest, die de monteur uitsloeg, want vrijwel altijd krijgt de agent gelijk, als hij in zijn procesverbaal noteert: "Onsamenhangende taal". Voor alle zekerheid hebben ze de man, die overigens te goeder naam en faam bekend bleek te staan, toch ook nog naar een zenuwinrichting gebracht. Want geld op straat weggeven doe je eenvoudig niet. Dat dachten de dokters in die inrichting ook. Maar hoe ze ook zochten, ze konden niets vinden. Ze onderzochten hem nog eens nauwkeurig en tenslotte moesten ze verbijsterd konstateren, dat ze geen attest konden afgeven, dat deze man een gevaar was voor de gemeenschap.

In de krant waarin ik dit bericht las, werd de wens uitgesproken dat een dergelijke stunt op grote schaal door een steenrijke tv.-omroep, b.v. in Amerika, zou worden herhaald, om de reakties van publiek en instanties nog scherper te bestuderen. Er zijn minder interessante t.v.-produkties, die meer kosten dan de, laten we zeggen 25 mille, die men daarvoor op straat zou moeten uitdelen. Overigens is dit idee niet nieuw. Ik herinner me uit mijn studententijd dat er in Amsterdam een man was, die op straat aanbood om voor elke gulden een rijksdaalder te geven. Ook die man kwam op het politie-bureau terecht, in de Warmoesstraat. Er bleek de één of andere publiciteitsonderneming achter te zitten, die wilde weten hoe mensen op zoiets reageren.

De ervaring, dat wij mensen verstek laten gaan, stikken van wantrouwen, als we iets waardevols helemaal gratis aangeboden krijgen, is trouwens nog veel ouder. Ze is zo oud als de Bijbel. Eén van de profeten stelt God ergens als een marktkoop man voor, die zegt, dat vandaag alles te geef is, dat het nu echt allemaal gratis is. Hij geeft zomaar water (in het water arme Jeruzalem door de waterverkopers op straat voor duur geld verkocht) en brood en wijn voor niets."O, alle gij dorstigen, komt tot het water, en gij die geen geld hebt, komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk," (Jesaja, hoofdstuk 55). God kan, wat hij zo maar gratis uit pure liefde wil geven, vaak zo moeilijk kwijt, dat hij er als het ware mee moet leuren. Krankzinnig toch eigenlijk: kostelijke dingen van God als lucht en zon en regen willen we maar al te graag gratis van Hem ontvangen. Maar als Hij ons het meest waardevolle wil geven, wat Hij heeft, en wat Hij al tijden lang voor ons opgespaard heeft: Zijn hart, Zijn genade, Zijn liefde, dan vertrouwen we de zaak niet. Dan draaien we er omheen als een kat om een hete brijpot.

We redeneren bij ons zelf: Ja, die dominee of die pastoor kan nu wel zeggen, dat het echt allemaal zo maar gratis is. Maar als je er op ingaat, dan haal je jezelf allemaal verplichtingen op de hals, je merkt dat je ergens een olifant cadeau hebt gekregen... We willen veel liever zelf op eigen houtje beter gaan leven. We willen veel liever zelf de hemel verdienen, dan dat we de heerlijkheid van God als onverdiende, ja als door ons allemaal verzondigde werkelijkheid zo maar ontvangen. We willen veel liever eerst zelf een stevig berouw kwekenen, eerst zelf betering des levens tonen, vóór weons overgeven aan God. Zomaar helemaal cadeau de vergeving ontvangen is ons veel te goedkoop en veel te gemakkelijk. Het wantrouwen, waarmee de spontane daad van Manfred Klus werd bejegend, is maar kinderspel vergeleken bij de weerstand die God elke dag bij ons ondervindt.

Ook ik heb genade vaak een naar woord gevonden. Misschien komt dat uit mijn jongens-tijd. Je had met een andere jongen gevochten.Hij was aan het winnen en jij was aan het verliezen. Hij zat met zijn volle gewicht boven op je en je stikte bijna. Dan zei hij je voor: "genade". Als je nu ook maar "genade" zei, dan liet hij je vrij. Maar dan had jij het verloren. En dat was toch eigenlijk je eer te na. Datzelfde idee hebben wij vaak ook van de genade van God. Hij beukt je murw, Hij drijft je in het nauw. En dan zegje tenslotte tegen Hem:"Genade". Ik heb het zo vaak mensen horen zeggen: "Ik zal nogwel harde klappen moeten krijgen, wil ik weer gaan geloven." Maar dan maken we van de genade toch eigenlijk een karikatuur.

In het Zuiden van India heb je in het Hindoeisme de kat school en de aap school. De aapschool leert, dat God de mens verlost, zoals een aap in het ogenblik van gevaar zijn jongen redt. Het jong klemt zich aan de moeder vast en wordt zo behouden. Wilde mens gered worden vanzoveel wat hem met ondergang bedreigt, dan moet hij zich net zo aan God vastklampen. De katschool daarentegen zegt dat God ons redt, zoals de kat doet met haar jongen. Wanneer de jonge poesjes in gevaar zijn, grijpt de kat ze met de tanden in het nekvel en draagt ze weg en brengt ze zo in veiligheid. Wilde mens gered worden, dan is het God zelf die hem grijpt en hem met Zich meeneemt, weg van de dreigende ondergang. Ik weet niet of u meer voor de aapschool voelt of voor de kat school. Als de genade je gaat grijpen, doet het pijn, net als de tanden van het moederdier pijn doen in de nek van het katje. Als we dan maar weten dat Genade is, dat je bij je nekvel gegrepen wordt, uit je ondergang, het leven, de veiligheid tegemoet. Maar als het apejong moeten we ons er toch ook zelf aan vast klemmen, want je moet het zelf ook willen.